Hoe voelt de Ericsson CLI aan? (Router 6000 / SSR / “Ericsson IP OS” in de praktijk)

Als je voor het eerst inlogt op een Ericsson-router (denk aan de IP/MPLS-hoek), voelt de CLI vaak meteen alsof je in provider-territorium zit. Minder “campus switch”, meer “carrier-grade netwerkplatform”. De vibe is: strak, serieus, en gebouwd voor schaal, met veel focus op routing, MPLS, services en operationele controle.

Ericsson heeft door de jaren heen verschillende platformen/OS-lijnen gehad in networking (o.a. Router 6000, SSR, en oplossingen in de IP/MPLS-wereld). Daardoor kan “Ericsson CLI” in het veld nét anders aanvoelen afhankelijk van het model en OS. Maar het algemene gevoel blijft vaak hetzelfde: service-provider workflow, veel monitoring/operational tooling, en configuratie die in logische blokken is opgebouwd.

De eerste indruk: “carrier-grade cockpit” (maar wel overzichtelijk)

Ericsson CLI voelt meestal als een cockpit voor grote netwerken: je ziet termen en commando’s die passen bij backbone-werk: routing instances, MPLS, LDP/RSVP, BGP, QoS, ACL’s, en service-definities. Het is niet bedoeld om “vriendelijk” te zijn zoals een SMB-switch, maar om engineers controle te geven over een schaalbaar netwerk.

Tegelijk is de beleving vaak vrij “clean”: als je weet waar je kijkt, krijg je precies de informatie die je nodig hebt, zonder al te veel ruis. Het is gemaakt voor operations-teams die de hele dag troubleshooting doen.

Operational vs configuratie: duidelijke scheiding (en dat voelt veilig)

Net als bij andere carrier-grade platformen voel je meestal een duidelijke scheiding: je hebt commando’s om status te bekijken en commando’s om config te bouwen. Dat voorkomt dat je “per ongeluk” live dingen verandert terwijl je eigenlijk alleen maar aan het kijken bent.

In gevoel:

  • Operational/monitoring: veel “show”-achtige commando’s, counters, states
  • Configuration: service/routing/MPLS/QoS configuratie in blokken

Dit geeft het typische provider-gevoel: eerst heel precies observeren, dan gericht wijzigen, dan weer uitgebreid verifiëren.

De taal voelt “service-first”: je configureert diensten, niet alleen interfaces

Een opvallend Ericsson-gevoel is dat configuratie vaak draait om services: VPN’s, L2/L3 diensten, policies, traffic engineering, QoS-profielen. Interfaces zijn belangrijk, maar ze voelen vaker als “transport” onder de services.

Dat maakt het anders dan campus-switching: je denkt minder in “VLAN op poort” en meer in “welke klant/service, welk pad, welke policy, welke SLA”.

Troubleshooting voelt “operations-grade”: veel tooling, veel states

Ericsson platformen zijn vaak gemaakt voor 24/7 operations. Daardoor voelt troubleshooting rijk: je kunt states, sessions, routes, label-switched paths, neighbor status, alarms en counters diep analyseren.

Dingen die je in de beleving vaak checkt:

  • interface status en counters (errors, drops, CRC)
  • BGP/OSPF/IS-IS neighbors en route tables
  • MPLS labels, LSP status, LDP/RSVP states
  • QoS queues en traffic stats
  • alarms/events/logging (provider-achtig “NOC view”)
  • service status (VPN/VRF/service instances)

Het voelt alsof je niet alleen “een device” beheert, maar een knooppunt in een groter systeem.

Configureren voelt gestructureerd en “enterprise-proof”

Ericsson configuratie voelt vaak heel gestructureerd: je bouwt in blokken, met duidelijke scopes. Dat helpt omdat provider-configs groot worden. Het doel is dat configs niet alleen werken, maar ook leesbaar blijven en consistent te beheren zijn over veel nodes.

Het tempo is daardoor anders: je “tikt niet even wat”, je bouwt bewust. Dat geeft controle, maar vraagt ook dat je het platform-dialect leert.

Terminologie: even wennen, daarna voelt het heel logisch

Ericsson gebruikt (net als elke vendor) een eigen dialect. Voor engineers uit Cisco/Juniper/Huawei-hoeken is het vooral even vertalen: hoe noemt Ericsson een VRF/service, hoe zitten policies, welke commando’s geven de route/LSP/service status.

Zodra je dat doorhebt, voelt het vaak juist fijn: de termen passen bij de provider-wereld, en de CLI is gebouwd om die wereld overzichtelijk te maken.

Voor beginners: zo voelt de leercurve

De leercurve van Ericsson CLI voelt vaak zo:

  • Dag 1: “Oké, dit is provider-stijl. Veel states en veel service-termen.”
  • Week 1: “Ik kan interfaces, routing neighbors en basis show/monitoring doen.”
  • Week 2–3: “MPLS en services (VPN/VRF) worden logisch, troubleshooting wordt sneller.”
  • Daarna: “QoS/TE/design en grote-scale operations worden de diepte.”

Het omslagpunt komt wanneer je je mentale model verlegt van “poort/VLAN” naar service + routing/MPLS + policy. Dan voelt de CLI ineens heel “op z’n plek”.

Samenvatting

De Ericsson CLI voelt carrier-grade: strak, service-first en gebouwd voor schaal. Je krijgt veel operationele controle en rijke troubleshooting tooling, vooral rond routing, MPLS en service-instances. Configureren voelt gestructureerd en bewust, met een workflow die past bij grote provider-netwerken.

In het begin is het wennen aan het Ericsson-dialect, maar zodra je het model snapt (services bovenop transport), voelt het als een professioneel platform dat gemaakt is om stabiel te draaien en voorspelbaar te beheren in grote omgevingen.